Publicaties

Publicaties

Print Friendly, PDF & Email

Voortvarendheid bij projectmatige aanpak door de Belastingdienst

Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht (TFB 2015/2)
april 2015
Auteur(s):  Bram van der Sar 


Het Hof van Justitie EG heeft zich in de gevoegde zaken X en Passenheim-van Schoot uitgelaten over de verenigbaarheid van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar met het EU-recht. De Hoge Raad heeft daar in een aantal arresten verder invulling gegeven.

In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van deze jurisprudentie waarbij onder meer wordt ingegaan op de keuze voor een projectmatige aanpak, de tijd die benodigd is voor het verkrijgen van inlichtingen en de tijd die benodigd is voor het opleggen van een belastingaanslag. Daarnaast wordt stilgestaan bij een aantal nieuwe ontwikkelingen.


 

De beperkte houdbaarheid van de onbeperkte navorderingstermijn in de Successiewet 1956 – deel 2

Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht (TFB 2014/3)
april 2014
Auteur(s):  Bram van der Sar 


Met ingang van 1 januari 2012 is, ter bestrijding van de zogeheten ‘Edelweissroute’, art. 66, derde lid, Successiewet 1956 ingevoerd, waarin – kort gezegd – is bepaald dat de huidige twaalfjaarstermijn van art. 16, vierde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing is ingeval geen of een onjuiste aangifte erfbelasting is gedaan over een bestanddeel dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. Het eerste deel van deze bijdrage is verschenen in TFB 2014/2. In dit tweede deel van de bijdrage wordt ingegaan op de verschillende navorderingstermijnen en fraudebestrijding, rechtszekerheid, eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel.


 

De beperkte houdbaarheid van de onbeperkte navorderingstermijn in de Successiewet 1956 – deel 1

Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht (TFB 2014/2)
maart 2014
Auteur(s):  Bram van der Sar 


Met ingang van 1 januari 2012 is, ter bestrijding van de zogeheten ‘Edelweissroute’, art. 66, derde lid, Successiewet 1956 ingevoerd, waarin – kort gezegd – is bepaald dat de huidige twaalfjaarstermijn van art. 16, vierde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing is ingeval geen of een onjuiste aangifte erfbelasting is gedaan over een bestanddeel dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. In dit eerste deel van deze bijdrage wordt  in vogelvlucht stilgestaan bij het doel, de voorwaarden en de ontwikkelingen bij navordering en de maatregelen en achtergronden van de ‘Edelweissroute’.

Het tweede deel van deze bijdrage verschijnt in TFB 2014/3.


 

Wet Vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst – Eenvoudiger wordt het in ieder geval niet!

Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR 7006)
15 februari 2014  
Auteur(s): Bram van der Sar 


In deze bijdrage wordt stilgestaan bij het Wetsvoorstel Vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst. De belangrijkste onderdelen voor de schenk- en erfbelasting worden behandeld en daar waar nodig van (kritisch) commentaar voorzien.


 

Hanteer één navorderingstermijn bij belastingfraude

Het Financieele Dagblad
4 november 2013
Auteur(s): Bram van der Sar


In september 2013 is het Wetsvoorstel vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst bij de Tweede Kamer ingediend. Een van de onderdelen ervan is de aanpassing van de navorderingstermijnen voor onder meer de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting. Bij goedwillende belastingplichtigen gaat de termijn naar 3 jaar na het indienen van de aangifte. Bij belastingfraude wordt de navorderingstermijn 12 jaar.

In 2012 is, ter bestrijding van deze zogeheten Edelweissroute, de navorderingstermijn voor de erfbelasting in buitenlandsituaties onbeperkt geworden. Deze termijn wordt in het wetsvoorstel ten onrechte niet aangepast. De onbeperkte navorderingstermijn is in strijd met het (internationale) recht, eenvoudig te omzeilen en het is onverklaarbaar waarom voor belastingfraude door het kabinet verschillende termijnen worden gehanteerd.


De vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit – Over (on)gelijkheid en ‘fair balance’

Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR 6961)
9 februari 2013  
Auteur(s): Bram van der Sar 


Naar aanleiding van de uitspraak van Rechtbank Breda van 13 juli 2012, nr. 11/5509, LJN BX3386 en de andersluidende uitspraken van Rechtbank Arnhem en Rechtbank Haarlem over de reikwijdte van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit gaat de auteur allereerst in op: het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving en de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever heeft; het beginsel van ‘fair balance’ uit art.1 van het Eerste Protocol EVRM; de ontstaansgeschiedenis van de BOF en de totstandkoming van het percentage van de vrijstelling. Vervolgens toetst hij de BOF aan zowel het gelijkheidsbeginsel als het beginsel van ‘fair balance’ en gaat hij in op de verschillende rechtbankuitspraken. Auteur concludeert dat de wetgever bij de invoering van de regeling bezwaren te gemakkelijk heeft gepasseerd. Naar zijn mening is sprake van een onaanvaardbare ongelijke behandeling. Doordat het percentage van de vrijstelling is verhoogd zonder dat de noodzaak is aangetoond is de regeling niet meer proportioneel en is het beginsel ‘fair balance’ geschonden. Het zou de auteur niet verbazen als de Hoge Raad tot het oordeel komt dat inderdaad sprake is van verboden discriminatie en de wetgever opdraagt deze schending op te heffen. Een aanpassing van de BOF naar een ‘acceptabel niveau’ ligt dan voor de hand.

In zijn conclusie van 30 september 2013, nr. 13/01154, V-N 2013/50.24 verwijst A-G IJzerman naar dit artikel. De Hoge Raad van mening dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet in strijd is met het discriminatieverbod.


Formele haken en ogen aan horizontaal toezicht

Tijdschrift voor Fiscaal Ondernemingsrecht (TFO 2012/123.1)
11 oktober 2012
Auteur(s): Bram van der Sar en Arjan Heidekamp


In 2005 begon de Belastingdienst te experimenteren met het zogenoemde horizontaal toezicht. Op termijn zal horizontaal toezicht een verschuiving teweeg brengen van de ouderwetse, periodieke controle achteraf (‘verticaal toezicht’) naar een vorm van toezicht in de actualiteit, dat gebaseerd is op interne (fiscale) procesbeheersing van de betrokken onderneming. Van controle naar control (beheersing) dus. De verhouding tussen ondernemer en Belastingdienst verandert daarbij wezenlijk: er is onder Horizontaal toezicht sprake van samenwerking, transparantie, wederzijds begrip en onderling vertrouwen.

Tot op heden blinkt horizontaal toezicht echter niet uit in transparantie over zijn eigen juridische status. De invloed die horizontaal toezicht heeft op bestaande fiscale leerstukken en dogma’s is daardoor nog uiterst onzeker. Over formeelrechtelijke knelpunten die zich kunnen voordoen gedurende de looptijd van een convenant en bij de beëindiging hiervan is nog weinig gepubliceerd.


Informatieplicht uit eigen beweging

Rijnmond Business april-mei 2012)
april/mei 2012  
Auteur(s): Bram van der Sar en Corrina Lokerse


Vanaf 1 januari 2012 is in art. 10a AWR een actieve informatieverplichting voor belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen opgenomen. Bij gebleken onjuistheden of onvolledigheden in de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen dient de Belastingdienst uit eigen beweging door de belastingplichtige of inhoudingsplichtige te worden geïnformeerd.